Jeremiah 31

Study commentary

Ask AI

Jeremiah 31 speaks into ruin with astonishing covenant hope. The same people who broke the covenant are promised a day when God will write his law within them.

Read more

Jeremiah 31 is spoken into the wreckage of covenant unfaithfulness, and that is why its promises feel so astonishing. The chapter does not arise from a people on the edge of reform. It speaks to those whose rebellion has already made judgment unavoidable. Yet in Jeremiah 31:3, the Lord still declares an everlasting love, and throughout the chapter he gathers language of return, rebuilding, planting, and joy. This is not sentimental optimism. It is covenant mercy refusing to let ruin have the last word. Still, the chapter does not bypass grief. In Jeremiah 31:15-17, Rachel weeps for her children, and sorrow is allowed its full weight. Hope enters not by denying the tears, but by speaking beyond them. Then Jeremiah 31:31-34 reaches one of the great promises of Scripture: a new covenant in which the law is written on the heart, sin is forgiven, and God is known from within rather than merely approached through external structure. Jeremiah 31 matters because it exposes how deep the human problem really is. If the law must be written within, then outward command was never enough to cure the heart. The chapter asks whether you still imagine that religious memory and visible structure can sustain obedience, or whether you understand that only God’s inward covenant work can create true faithfulness.

How the chapter unfolds

The chapter moves through restoration promises, weeping and return, and the announcement of the new covenant.

Why this chapter matters

It matters because it shows that God’s answer to covenant failure is deeper than external reform. He addresses the heart itself.

Interpretive tension to watch

The chapter confronts the assumption that renewed obedience can be sustained by external command alone.

Questions for this chapter

  • Why does Jeremiah 31 speak hope into judgment without minimizing the reality of covenant failure?
  • What does the promise of the new covenant reveal about the inadequacy of merely external religion?
  • How do sorrow and future restoration belong together in this chapter without canceling each other out?

Study with context

Use this as a chapter guide, then press deeper into the text itself. The goal is to slow down observation, notice structure, and ask better questions before jumping to conclusions.

1 Ter zelfder tijd, spreekt de HEERE, zal Ik allen geslachten Israels tot een God zijn; en zij zullen Mij tot een volk zijn. 2 Zo zegt de HEERE: Het volk der overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden in de woestijn, namelijk Israel, als Ik henenging om hem tot rust te brengen. 3 De HEERE is mij verschenen van verre tijden! Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid. 4 Ik zal u weder bouwen, en gij zult gebouwd worden, o jonkvrouw Israels! gij zult weder versierd zijn met uw trommelen, en uitgaan met den rei der spelenden. 5 Gij zult weder wijngaarden planten op de bergen van Samaria; de planters zullen planten, en de vrucht genieten. 6 Want er zal een dag zijn, waarin de hoeders op Efraims gebergte zullen roepen: Maakt ulieden op, en laat ons opgaan naar Sion, tot den HEERE, onzen God! 7 Want zo zegt de HEERE: Roept luide over Jakob met vreugde, en juicht vanwege het hoofd der heidenen; doet het horen, lofzingt, en zegt: O HEERE! behoud Uw volk, het overblijfsel van Israel. 8 Ziet, Ik zal ze aanbrengen uit het land van het noorden, en zal hen vergaderen van de zijden der aarde; onder hen zullen zijn blinden en lammen, zwangeren en barenden te zamen; met een grote gemeente zullen zij herwaarts wederkomen. 9 Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren; Ik zal hen leiden aan de waterbeken, in een rechte weg, waarin zij zich niet zullen stoten; want Ik ben Israel tot een Vader, en Efraim is Mijn eerstgeborene. 10 Hoort des HEEREN woord, gij heidenen! en verkondigt in de eilanden, die verre zijn, en zegt: Hij, Die Israel verstrooid heeft, zal hem weder vergaderen, en hem bewaren als een herder zijn kudde. 11 Want de HEERE heeft Jakob vrijgekocht, en Hij heeft hem verlost uit de hand desgenen, die sterker was dan hij. 12 Dies zullen zij komen, en op de hoogte van Sion juichen, en toevloeien tot des HEEREN goed, tot het koren, en tot den most, en tot de olie, en tot de jonge schapen en runderen; en hun ziel zal zijn als een gewaterde hof, en zij zullen voortaan niet meer treurig zijn. 13 Dan zal zich de jonkvrouw verblijden in den rei, daartoe de jongelingen en ouden te zamen; want Ik zal hunlieder rouw in vrolijkheid veranderen, en zal hen troosten, en zal hen verblijden naar hun droefenis. 14 En Ik zal de ziel der priesteren met vettigheid dronken maken; en Mijn volk zal met Mijn goed verzadigd worden, spreekt de HEERE. 15 Zo zegt de HEERE: Er is een stem gehoord in Rama, een klage, een zeer bitter geween; Rachel weent over haar kinderen; zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat zij niet zijn. 16 Zo zegt de HEERE: Bedwing uw stem van geween, en uw ogen van tranen; want er is loon voor uw arbeid, spreekt de HEERE; want zij zullen uit des vijands land wederkomen. 17 En er is verwachting voor uw nakomelingen, spreekt de HEERE; want uw kinderen zullen wederkomen tot hun landpale. 18 Ik heb wel gehoord, dat zich Efraim beklaagt, zeggende: Gij hebt mij getuchtigd, en ik ben getuchtigd geworden als een ongewend kalf. Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, want Gij zijt de HEERE, mijn God! 19 Zekerlijk, nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad, en nadat ik mijzelven ben bekend gemaakt, heb ik op de heup geklopt, ik ben beschaamd, ja, ook schaamrood geworden, omdat ik de smaadheid mijner jeugd gedragen heb. 20 Is niet Efraim Mij een dierbare zoon, is hij Mij niet een troetelkind? Want sinds Ik tegen hem gesproken heb, denk Ik nog ernstelijk aan hem; daarom rommelt Mijn ingewand over hem; Ik zal Mij zijner zekerlijk ontfermen, spreekt de HEERE. 21 Richt u merktekenen op, stel u spitse pilaren, zet uw hart op de baan, op den weg, dien gij gewandeld hebt; keer weder, o jonkvrouw Israels, keer weder tot deze uw steden! 22 Hoe lang zult gij u onttrekken, gij afkerige dochter? Want de HEERE heeft wat nieuws op de aarde geschapen: de vrouw zal den man omvangen. 23 Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Dit woord zullen zij nog zeggen in het land van Juda, en in zijn steden, als Ik hun gevangenis wenden zal: De HEERE zegene u, gij woning der gerechtigheid, gij berg der heiligheid! 24 En Juda, mitsgaders al zijn steden, zullen te zamen daarin wonen; de akkerlieden, en die met de kudde reizen. 25 Want Ik heb de vermoeide ziel dronken gemaakt, en Ik heb alle treurige ziel vervuld. 26 (Hierop ontwaakte ik, en zag toe, en mijn slaap was mij zoet.) 27 Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik het huis van Israel en het huis van Juda bezaaien zal met zaad van mensen en zaad van beesten. 28 En het zal geschieden, gelijk als Ik over hen gewaakt heb, om uit te rukken, en af te breken, en te verstoren, en te verderven, en kwaad aan te doen; alzo zal Ik over hen waken, om te bouwen en te planten, spreekt de HEERE. 29 In die dagen zullen zij niet meer zeggen: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en der kinderen tanden zijn stomp geworden. 30 Maar een iegelijk zal om zijn ongerechtigheid sterven; een ieder mens, die de onrijpe druiven eet, zijn tanden zullen stomp worden. 31 Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israel en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken; 32 Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de HEERE; 33 Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israel maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. 34 En zij zullen niet meer, een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk zijn broeder, leren, zeggende: Kent den HEERE! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de HEERE; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken. 35 Zo zegt de HEERE, Die de zon ten lichte geeft des daags, de ordeningen der maan en der sterren ten lichte des nachts, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen, HEERE der heirscharen is Zijn Naam: 36 Indien deze ordeningen van voor Mijn aangezicht zullen wijken, spreekt de HEERE, zo zal ook het zaad Israels ophouden, dat het geen volk zij voor Mijn aangezicht, al de dagen. 37 Zo zegt de HEERE: Indien de hemelen daarboven gemeten, en de fondamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, zo zal Ik ook het ganse zaad Israels verwerpen, om alles, wat zij gedaan hebben, spreekt de HEERE. 38 Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat deze stad den HEERE zal herbouwd worden, van den toren Hananeel af tot aan de Hoekpoort. 39 En het meetsnoer zal wijders nevens dezelve uitgaan tot aan den heuvel Gareb, en zich naar Goath omwenden. 40 En het ganse dal der dode lichamen en der as, en al de velden tot aan de beek Kidron, tot aan den hoek van de Paardenpoort tegen het oosten, zal den HEERE een heiligheid zijn; er zal niets weder uitgerukt, noch afgebroken worden in eeuwigheid.

Turn reading into real study

Sign up to bookmark verses, take notes, and study with AI-powered tools.

Study Bible notes for this chapter Verse-by-verse notes and direct commentary anchored in this chapter.
Study Bible

Verse-by-verse notes

Verses 31:15-20 Standard

God does not heal covenant ruin by denying grief

Open

Rachel’s tears are not brushed aside as weak emotion. Jeremiah lets grief stand in full weight before promise is spoken over it. The chapter shows that covenant hope does not bypass sorrow. It answers sorrow from beyond itself.

Key passages
Verses 31:31-34 Deep

The new covenant is needed because external law could never cure the heart

Open

Jeremiah does not announce a slight religious refresh. He announces covenant transformation. The law will be written within, sins will be remembered no more, and God will be known from the inside out. The chapter exposes how deep the human problem is by showing how deep the divine remedy must go.

💥 Truth

If the law must be written within, then external religion was never enough to keep the heart faithful.

Background and language insights Original-language details, cultural background, and why they change the reading of this chapter.
Depth

Original-language insights

Jeremiah 31:33 · Hebrew Jump to text

berit chadashah (berit chadashah)

Literal: new covenant

Jeremiah names not merely renewed enthusiasm but covenantal newness. The relationship structure itself is being reconstituted by God.

It makes the passage sound less like revival language and more like a decisive redemptive-historical turning point.

Key passages
Background

Cultural context

Jeremiah 31 · Exile and restoration promise world Jump to text

Jeremiah speaks into covenant collapse, exile pressure, and national grief, where restoration promises would sound almost impossible.

Modern readers may hear private encouragement where the chapter is answering public covenant disaster.

It helps the new-covenant promise sound as radical restoration in the aftermath of real ruin.

Key passages
Choose your next step after this chapter Keep reading, choose a plan, or keep studying with AI.
Follow the themes this chapter opens Related topic hubs for the larger questions this chapter may have opened.