John 8

이 장을 의도를 가지고 읽기

이 장에 대해 AI에게 묻기

John 8 contains the story of the woman caught in adultery and the longest debate in the Gospels between Jesus and the religious leaders of Jerusalem. The scribes and Pharisees bring the woman to trap him; he writes on the ground and says that whoever is without sin should throw the first stone, and one by one they leave. Then, in the temple courts, Jesus declares "I am the light of the world," defends the validity of his testimony, warns that his hearers will die in their sins unless they believe, and tells those who had believed that the truth will set them free. The argument over Abraham's children turns bitter, ends with "before Abraham was born, I am," and they pick up stones.

장 주석 열기

John 8 opens at dawn in the temple courts with a trap. A woman caught in adultery is dragged before Jesus, and he is asked whether the law of Moses should be carried out; if he says yes, he has taken a life into his hands, and if he says no, he has set aside the law. He bends down and writes in the dust, and when they keep pressing, he straightens up and says that the one without sin should throw the first stone. They leave, oldest first. Alone with her, he neither condemns nor excuses: go, and sin no more. Most early manuscripts do not have this story, and most Bibles mark that, but almost everyone agrees that it sounds exactly like him. What follows is the longest and hardest argument in the Gospels. Against the backdrop of the festival lamps in the Court of the Women, Jesus says he is the light of the world. His hearers challenge his right to speak for himself, and he answers that the Father testifies with him. He tells them they will die in their sins unless they believe who he is, and many do believe. Then, to those very believers, he says that the truth will free them if they hold to his word, and the conversation collapses. They are Abraham's children and have never been slaves; he says everyone who sins is a slave; they say God is their Father; he says that if that were true they would love him. The exchange becomes as bitter as any in the New Testament, and it ends with the most staggering claim in the book, "before Abraham was born, I am," and stones in their hands.

Historical and literary context

The story of the woman, 7:53 to 8:11, is missing from the earliest and best manuscripts of John and appears in different places in others; most scholars think it is an authentic memory of Jesus preserved outside John and added later, which is why modern Bibles set it off with brackets. The rest of the chapter continues the Feast of Tabernacles setting of chapter 7. During that feast great lamps were lit in the Court of the Women, near the treasury named in verse 20, which gives "I am the light of the world" its setting. The debate over descent from Abraham reflects first-century Jewish confidence in covenant birth, and "before Abraham was, I am" echoes the divine name of Exodus 3:14, which is why the response is an attempt to stone him.

How the chapter unfolds

Verses 1 to 11: the woman caught in adultery, the trap, the writing on the ground, the departure of the accusers, and "Neither do I condemn you; go and sin no more." Verses 12 to 20: the light of the world and the dispute over self-testimony, with the Father as second witness. Verses 21 to 30: "Where I am going, you cannot come," from above and from below, and many believe. Verses 31 to 47: the truth that frees, slavery to sin, children of Abraham and children of the devil. Verses 48 to 59: the charge of demon possession, "if anyone keeps My word, he will never see death," the claim to precede Abraham, and the stones.

Why this chapter matters

Verse 7, "Let him who is without sin among you be the first to cast a stone," and verse 32, "the truth will set you free," are among the best known sentences in the world, the second inscribed on universities and government buildings that rarely quote the verse before it, "if you continue in My word." Verse 12 is one of John's seven "I am" sayings with a predicate, and verse 58 is the climactic one without, the clearest claim to divinity in the Gospel. The shape of the whole chapter, an invitation that hardens into conflict, is John's picture of what happens when light meets those who prefer the dark.

Interpretive tension to watch

Verse 44, "You belong to your father, the devil," was addressed to a specific group of Judean opponents in a first-century argument among Jews, but it has been torn from that setting for centuries to justify hatred of Jews, a history any honest reading must acknowledge. The status of the adultery story is a second tension: its authenticity as text is doubtful while its authenticity as a portrait of Jesus is widely accepted. Finally, the chapter says both that "many believed" and that those believers wanted to kill him, a sequence that raises the question of what believing amounts to.

이 장을 위한 질문

  • Jesus neither condemns the woman nor excuses her. How do "neither do I condemn you" and "sin no more" belong together?
  • Verse 32 is quoted everywhere without verse 31. What does "continue in My word" add to "the truth will set you free"?
  • The chapter moves from "many believed" to picking up stones. What kind of belief survives being told the truth?

Study with context

Use this as a chapter guide, then press deeper into the text itself. The goal is to slow down observation, notice structure, and ask better questions before jumping to conclusions.

1 Maar Jezus ging naar den Olijfberg. 2 En des morgens vroeg kwam Hij wederom in den tempel, en al het volk kwam tot Hem; en nedergezeten zijnde, leerde Hij hen. 3 En de Schriftgeleerden en de Farizeen brachten tot Hem een vrouw, in overspel gegrepen. 4 En haar gesteld hebbende in het midden, zeiden zij tot Hem: Meester, deze vrouw is op de daad zelve gegrepen, overspel begaande. 5 En Mozes heeft ons in de wet geboden, dat dezulken gestenigd zullen worden; Gij dan, wat zegt Gij? 6 En dit zeiden zij, Hem verzoekende, opdat zij iets hadden, om Hem te beschuldigen. Maar Jezus, nederbukkende, schreef met den vinger in de aarde. 7 En als zij Hem bleven vragen, richtte Hij Zich op, en zeide tot hen: Die van ulieden zonder zonde is, werpe eerst den steen op haar. 8 En wederom nederbukkende, schreef Hij in de aarde. 9 Maar zij, dit horende, en van hun geweten overtuigd zijnde, gingen uit, de een na den andere, beginnende van de oudsten tot de laatsten; en Jezus werd alleen gelaten; en de vrouw in het midden staande. 10 En Jezus, Zich oprichtende, en niemand ziende dan de vrouw, zeide tot haar: Vrouw, waar zijn deze uw beschuldigers? Heeft u niemand veroordeeld? 11 En zij zeide: Niemand, Heere! En Jezus zeide tot haar: Zo veroordeel Ik u ook niet; ga heen, en zondig niet meer. 12 Jezus dan sprak wederom tot henlieden, zeggende: Ik ben het licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben. 13 De Farizeen dan zeiden tot Hem: Gij getuigt van Uzelven; Uw getuigenis is niet waarachtig. 14 Jezus antwoordde, en zeide tot hen: Hoewel Ik van Mijzelven getuig, zo is nochtans Mijn getuigenis waarachtig; want Ik weet, van waar Ik gekomen ben, en waar Ik heenga; maar gijlieden weet niet, van waar Ik kom, en waar Ik heenga. 15 Gij oordeelt naar het vlees; Ik oordeel niemand. 16 En indien Ik ook oordeel, Mijn oordeel is waarachtig; want Ik ben niet alleen, maar Ik en de Vader, Die Mij gezonden heeft. 17 En er is ook in uw wet geschreven, dat de getuigenis van twee mensen waarachtig is. 18 Ik ben het, Die van Mijzelven getuig, en de Vader, Die Mij gezonden heeft, getuigt van Mij. 19 Zij dan zeiden tot Hem: Waar is Uw Vader? Jezus antwoordde: Gij kent noch Mij, noch Mijn Vader; indien gij Mij kendet, zo zoudt gij ook Mijn Vader kennen. 20 Deze woorden sprak Jezus bij de schatkist, lerende in den tempel; en niemand greep Hem; want Zijn ure was nog niet gekomen. 21 Jezus dan zeide wederom tot hen: Ik ga heen, en gij zult Mij zoeken, en in uw zonden zult gij sterven; waar Ik heenga, kunt gijlieden niet komen. 22 De Joden dan zeiden: Zal Hij ook Zichzelven doden, omdat Hij zegt: Waar Ik heenga, kunt gijlieden niet komen? 23 En Hij zeide tot hen: Gijlieden zijt van beneden, Ik ben van boven; gij zijt uit deze wereld, Ik ben niet uit deze wereld. 24 Ik heb u dan gezegd, dat gij in uw zonden zult sterven; want indien gij niet gelooft, dat Ik Die ben, gij zult in uw zonden sterven. 25 Zij zeiden dan tot Hem: Wie zijt Gij? En Jezus zeide tot hen: Wat Ik van den beginne ulieden ook zegge. 26 Ik heb vele dingen van u te zeggen en te oordelen; maar Die Mij gezonden heeft, is waarachtig; en de dingen, die Ik van Hem gehoord heb, dezelve spreek Ik tot de wereld. 27 Zij verstonden niet, dat Hij hun van den Vader sprak. 28 Jezus dan zeide tot hen: Wanneer gij den Zoon des mensen zult verhoogd hebben, dan zult gij verstaan, dat Ik Die ben, en dat Ik van Mijzelven niets doe; maar deze dingen spreek Ik, gelijk Mijn Vader Mij geleerd heeft. 29 En Die Mij gezonden heeft, is met Mij. De Vader heeft Mij niet alleen gelaten, want Ik doe altijd, wat Hem behagelijk is. 30 Als Hij deze dingen sprak, geloofden velen in Hem. 31 Jezus dan zeide tot de Joden, die in Hem geloofden: Indien gijlieden in Mijn woord blijft, zo zijt gij waarlijk Mijn discipelen; 32 En zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken. 33 Zij antwoordden Hem: Wij zijn Abrahams zaad, en hebben nooit iemand gediend; hoe zegt Gij dan: Gij zult vrij worden? 34 Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Een iegelijk, die de zonde doet, is een dienstknecht der zonde. 35 En de dienstknecht blijft niet eeuwiglijk in het huis, de zoon blijft er eeuwiglijk. 36 Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn. 37 Ik weet, dat gij Abrahams zaad zijt; maar gij zoekt Mij te doden; want Mijn woord heeft in u geen plaats. 38 Ik spreek wat Ik bij Mijn Vader gezien heb; gij doet dan ook, wat gij bij uw vader gezien hebt. 39 Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Abraham is onze vader. Jezus zeide tot hen: Indien gij Abrahams kinderen waart, zo zoudt gij de werken van Abraham doen. 40 Maar nu zoekt gij Mij te doden, een Mens, Die u de waarheid gesproken heb, welke Ik van God gehoord heb. Dat deed Abraham niet. 41 Gij doet de werken uws vaders. Zij zeiden dan tot Hem: Wij zijn niet geboren uit hoererij; wij hebben een Vader, namelijk God. 42 Jezus dan zeide tot hen: Indien God uw Vader ware, zo zoudt gij Mij liefhebben; want Ik ben van God uitgegaan; en kom van Hem. Want Ik ben ook van Mijzelven niet gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden. 43 Waarom kent gij Mijn spraak niet? Het is, omdat gij Mijn woord niet kunt horen. 44 Gij zijt uit den vader den duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen; die was een mensenmoorder van den beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader derzelve leugen. 45 Maar Mij, omdat Ik u de waarheid zeg, gelooft gij niet. 46 Wie van u overtuigt Mij van zonde? En indien Ik de waarheid zeg, waarom gelooft gij Mij niet? 47 Die uit God is, hoort de woorden Gods; daarom hoort gijlieden niet, omdat gij uit God niet zijt. 48 De Joden dan antwoordden en zeiden tot Hem: Zeggen wij niet wel, dat Gij een Samaritaan zijt, en den duivel hebt? 49 Jezus antwoordde: Ik heb den duivel niet; maar Ik eer Mijn Vader, en gij onteert Mij. 50 Doch Ik zoek Mijn eer niet; er is Een, Die ze zoekt en oordeelt. 51 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand Mijn woord zal bewaard hebben, die zal den dood niet zien in der eeuwigheid. 52 De Joden dan zeiden tot Hem: Nu bekennen wij, dat Gij den duivel hebt. Abraham is gestorven, en de profeten; en zegt Gij: Zo iemand Mijn woord bewaard zal hebben, die zal den dood niet smaken in der eeuwigheid? 53 Zijt Gij meerder, dan onze vader Abraham, welke gestorven is, en de profeten zijn gestorven; wien maakt Gij Uzelven? 54 Jezus antwoordde: Indien Ik Mijzelven eer, zo is Mijn eer niets; Mijn Vader is het, Die Mij eert, Welken gij zegt, dat uw God is. 55 En gij kent Hem niet, maar Ik ken Hem; en indien Ik zeg, dat Ik Hem niet ken, zo zal Ik ulieden gelijk zijn, dat is een leugenaar; maar Ik ken Hem, en bewaar Zijn woord. 56 Abraham, uw vader, heeft met verheuging verlangd, opdat hij Mijn dag zien zou; en hij heeft hem gezien, en is verblijd geweest. 57 De Joden dan zeiden tot Hem: Gij hebt nog geen vijftig jaren, en hebt Gij Abraham gezien? 58 Jezus zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Eer Abraham was, ben Ik. 59 Zij namen dan stenen op, dat zij ze op Hem wierpen. Maar Jezus verborg Zich, en ging uit den tempel, gaande door het midden van hen; en ging alzo voorbij.

읽기를 실제 공부로 바꾸세요

회원가입하고 구절 즐겨찾기, 노트 작성, AI 학습 도구를 사용해 보세요.

이 장 다음의 단계를 선택하세요 계속 읽거나, 계획을 선택하거나, AI와 함께 계속 공부하세요.
이 장이 여는 주제들을 따라가세요 이 장이 열었을 수 있는 더 큰 질문들에 대한 관련 주제 허브.