Luke 8

この章を意図をもって読む

この章についてAIに聞く

Luke 8 gathers a parable and four miracles. Jesus travels with the Twelve and with women who support him from their own means, among them Mary Magdalene and Joanna. He tells the parable of the sower, seed on the path, the rock, the thorns, and the good soil, and explains it as the word of God received in four kinds of heart, adding that his true family are those who hear and do the word. Then he calms a storm on the lake, frees the Gerasene man possessed by a legion of demons and sends him home to tell what God has done, heals the woman who touched his cloak after twelve years of bleeding, and raises the daughter of Jairus with the words "Child, get up."

章の解説を開く

Luke 8 is one of the busiest chapters in the Gospels, and it begins with a detail only Luke gives: the movement was funded by women. Mary Magdalene, freed from seven demons, Joanna, whose husband ran Herod's household, Susanna, and many others paid the bills as Jesus went from town to town. Then the parable that Jesus said explains all the others. A farmer flings seed, and it lands on a path, on rock, among thorns, and on good ground, and what happens next depends entirely on the ground. The seed, he explains, is the word of God, and the soils are hearts, and the only one that bears a crop is the one that hears, holds on, and keeps going. After that, four events in quick succession show what the word can do. A storm on the lake, a boat filling with water, disciples screaming that they are dying, and a man who wakes up, tells the wind to stop, and asks them where their faith is. A naked man living among tombs, chained and breaking chains, possessed by a legion, who ends the story clothed and sane at Jesus' feet, sent home to tell his town what God did. A woman who has bled for twelve years and spent everything on doctors, who touches the edge of his cloak in a crowd and is called out of hiding to be called daughter. And a synagogue ruler's twelve-year-old girl, dead before Jesus reaches the house, who hears him say child, get up, and gets up hungry. Who is this, the disciples ask in the boat. The chapter is the answer.

Historical and literary context

Luke alone records the women who financed Jesus' ministry; Joanna's husband managed Herod Antipas's household, which places support for Jesus inside the tetrarch's court. The parable of the sower reflects Palestinian farming, where seed was broadcast before plowing and paths, rock shelves, and thorns ran through the fields. Sudden windstorms on the Sea of Galilee are caused by air rushing down from the surrounding hills. The Gerasenes lived in the Decapolis, Gentile territory east of the lake, which explains the pigs. The woman with the bleeding was ritually unclean under Leviticus 15 and would have made anyone she touched unclean. Jairus led a synagogue; his daughter at twelve stood at the edge of adulthood.

How the chapter unfolds

Verses 1 to 3 describe the traveling company and the women. Verses 4 to 15 give the parable of the sower, the reason for parables, and the explanation. Verses 16 to 18 add the lamp and the warning to listen well. Verses 19 to 21 redefine family around hearing and doing the word. Verses 22 to 25 narrate the storm. Verses 26 to 39 tell of the Gerasene demoniac, Legion, the pigs, the townspeople's fear, and the man's commission. Verses 40 to 56 interweave Jairus's plea, the healing of the bleeding woman, the news of the girl's death, and her raising.

Why this chapter matters

The parable of the sower is the parable Jesus himself explained and the one he said unlocks the others, and its four soils have been the church's basic picture of how the word is received. "Where is your faith?" on the lake, "Who touched Me?" in the crowd, and "Child, get up" at the bedside are among the Gospel's most vivid scenes and have been painted, preached, and sung for centuries. The women of verses 1 to 3 are the first named financial supporters of the Christian movement. The healed demoniac sent home to tell his story is Luke's picture of the first Gentile witness, and the woman who touched the cloak is the model of faith that reaches out in secret and is called into the open.

Interpretive tension to watch

Jesus says he speaks in parables "so that" outsiders may not understand, quoting Isaiah 6, a hard saying that readers soften as a description of what happens or take at face value as judgment. The destruction of the pigs, and the loss to their owners, sits uneasily with modern readers, as does the townspeople's request that Jesus leave. Whether the woman's healing "took power out of" Jesus without his will is a question the text raises and leaves. The girl is called "asleep" while everyone knows she is dead, and Jesus' command to tell no one contradicts the demoniac's command to tell everyone, a contrast that depends on the audience.

この章のための質問

  • The same seed falls on four soils. Which soil describes how you have received God's word in the last year, and what would change the soil?
  • The healed man wants to leave with Jesus and is sent home instead. When is staying where you are the harder obedience?
  • Jairus is told his daughter is dead and hears, "Do not be afraid; just believe." What does it mean to believe after the worst news has arrived?

Study with context

Use this as a chapter guide, then press deeper into the text itself. The goal is to slow down observation, notice structure, and ask better questions before jumping to conclusions.

1 En het geschiedde daarna, dat Hij reisde van de ene stad en vlek tot de andere, predikende en verkondigende het Evangelie van het Koninkrijk Gods; en de twaalven waren met Hem; 2 En sommige vrouwen, die van boze geesten en krankheden genezen waren, namelijk Maria, genaamd Magdalena, van welke zeven duivelen uitgegaan waren; 3 En Johanna, de huisvrouw van Chusas, den rentmeester van Herodes, en Susanna, en vele anderen, die Hem dienden van haar goederen. 4 Als nu een grote schare bijeenvergaderde, en zij van alle steden tot Hem kwamen, zo zeide Hij door gelijkenis: 5 Een zaaier ging uit, om zijn zaad te zaaien; en als hij zaaide, viel het ene bij den weg, en werd vertreden, en de vogelen des hemels aten dat op. 6 En het andere viel op een steenrots, en opgewassen zijnde, is het verdord, omdat het geen vochtigheid had. 7 En het andere viel in het midden van de doornen, en de doornen mede opwassende, verstikten hetzelve. 8 En het andere viel op de goede aarde, en opgewassen zijnde, bracht het honderdvoudige vrucht voort. Dit zeggende, riep Hij: Wie oren heeft, om te horen, die hore. 9 En Zijn discipelen vraagden Hem, zeggende: Wat mag deze gelijkenis wezen? 10 En Hij zeide: U is het gegeven, de verborgenheden van het Koninkrijk Gods te verstaan; maar tot de anderen spreek Ik in gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien, en horende niet verstaan. 11 Dit is nu de gelijkenis: Het zaad is het Woord Gods. 12 En die bij den weg bezaaid worden, zijn dezen, die horen; daarna komt de duivel, en neemt het Woord uit hun hart weg, opdat zij niet zouden geloven, en zalig worden. 13 En die op de steenrots bezaaid worden, zijn dezen, die, wanneer zij het gehoord hebben, het Woord met vreugde ontvangen; en dezen hebben geen wortel, die maar voor een tijd geloven, en in den tijd der verzoeking wijken zij af. 14 En dat in de doornen valt, zijn dezen, die gehoord hebben, en heengaande verstikt worden door de zorgvuldigheden, en rijkdom, en wellusten des levens, en voldragen geen vrucht. 15 En dat in de goede aarde valt, zijn dezen, die, het Woord gehoord hebbende, hetzelve in een eerlijk en goed hart bewaren, en in volstandigheid vruchten voortbrengen. 16 En niemand, die een kaars ontsteekt, bedekt dezelve met een vat, of zet ze onder een bed; maar zet ze op een kandelaar, opdat degenen, die inkomen, het licht zien mogen. 17 Want er is niets verborgen, dat niet openbaar zal worden; noch heimelijk, dat niet bekend zal worden, en in het openbaar komen. 18 Ziet dan, hoe gij hoort; want zo wie heeft, dien zal gegeven worden; en zo wie niet heeft, ook hetgeen hij meent te hebben, zal van hem genomen worden. 19 En Zijn moeder en Zijn broeders kwamen tot Hem, en konden bij Hem niet komen, vanwege de schare. 20 En Hem werd geboodschapt van enigen, die zeiden: Uw moeder en Uw broeders staan daar buiten, begerende U te zien. 21 Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Mijn moeder en Mijn broeders zijn dezen, die Gods Woord horen, en datzelve doen. 22 En het geschiedde in een van die dagen, dat Hij in een schip ging, en Zijn discipelen met Hem; en Hij zeide tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde van het meer. En zij staken af. 23 En als zij voeren, viel Hij in slaap; en er kwam een storm van wind op het meer, en zij werden vol waters, en waren in nood. 24 En zij gingen tot Hem, en wekten Hem op, zeggende: Meester, Meester, wij vergaan! en Hij, opgestaan zijnde, bestrafte den wind en de watergolven, en zij hielden op, en er werd stilte. 25 En Hij zeide tot hen: Waar is uw geloof? Maar zij, bevreesd zijnde, verwonderden zich, zeggende tot elkander: Wie is toch Deze, dat Hij ook de winden en het water gebiedt, en zij zijn Hem gehoorzaam? 26 En zij voeren voort naar het land der Gadarenen, hetwelk is tegenover Galilea. 27 En als Hij aan het land uitgegaan was, ontmoette Hem een zeker man uit de stad, die van over langen tijd met duivelen was bezeten geweest; en was met geen klederen gekleed, en bleef in geen huis, maar in de graven. 28 En hij, Jezus ziende, en zeer roepende, viel voor Hem neder, en zeide met een grote stem: Wat heb ik met U te doen, Jezus, Gij Zone Gods, des Allerhoogsten, ik bid U, dat Gij mij niet pijnigt! 29 Want Hij had den onreinen geest geboden, dat hij van den mens zou uitvaren; want hij had hem menigen tijd bevangen gehad; en hij werd met ketenen en met boeien gebonden, om bewaard te zijn; en hij verbrak de banden, en werd van den duivel gedreven in de woestijnen. 30 En Jezus vraagde hem, zeggende: Welke is uw naam? En hij zeide: Legio. Want vele duivelen waren in hem gevaren. 31 En zij baden Hem, dat Hij hun niet gebieden zou in den afgrond heen te varen. 32 En aldaar was een kudde veler zwijnen, weidende op den berg; en zij baden Hem, dat Hij hun wilde toelaten in dezelve te varen. En Hij liet het hun toe. 33 En de duivelen, uitvarende van den mens, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in het meer; en versmoorde. 34 En die ze weidden, ziende hetgeen geschied was, zijn gevlucht; en heengaande boodschapten het in de stad, en op het land. 35 En zij gingen uit, om te zien hetgeen geschied was, en kwamen tot Jezus, en vonden den mens, van welken de duivelen uitgevaren waren, zittend aan de voeten van Jezus, gekleed en wel bij zijn verstand; en zij werden bevreesd. 36 En ook, die het gezien hadden, verhaalden hun, hoe de bezetene was verlost geworden. 37 En de gehele menigte van het omliggende land der Gadarenen baden Hem, dat Hij van hen wegging; want zij waren met grote vreze bevangen. En Hij, in het schip gegaan zijnde, keerde wederom. 38 En de man, van welken de duivelen uitgevaren waren, bad Hem, dat hij mocht bij Hem zijn. Maar Jezus liet hem van Zich gaan, zeggende: 39 Keer weder naar uw huis, en vertel, wat grote dingen u God gedaan heeft. En hij ging heen door de gehele stad, verkondigende, wat grote dingen Jezus hem gedaan had. 40 En het geschiedde, als Jezus wederkeerde, dat Hem de schare ontving; want zij waren allen Hem verwachtende. 41 En ziet, er kwam een man, wiens naam was Jairus, en hij was een overste der synagoge; en hij viel aan de voeten van Jezus, en bad Hem, dat Hij in zijn huis wilde komen. 42 Want hij had een enige dochter, van omtrent twaalf jaren, en deze lag op haar sterven. En als Hij heenging, zo verdrongen Hem de scharen. 43 En een vrouw, die twaalf jaren lang den vloed des bloeds gehad had, welke al haar leeftocht aan medicijnmeesters ten koste gelegd had; en van niemand had kunnen genezen worden, 44 Van achteren tot Hem komende, raakte den zoom Zijns kleeds aan; en terstond stelpte de vloed haars bloeds. 45 En Jezus zeide: Wie is het, die Mij heeft aangeraakt? En als zij het allen miszaakten, zeide Petrus en die met hem waren: Meester, de scharen drukken en verdringen U, en zegt Gij: Wie is het, die Mij aangeraakt heeft? 46 En Jezus zeide: Iemand heeft Mij aangeraakt; want Ik heb bekend, dat kracht van Mij uitgegaan is. 47 De vrouw nu, ziende, dat zij niet verborgen was, kwam bevende, en voor Hem nedervallende, verklaarde Hem voor al het volk, om wat oorzaak zij Hem aangeraakt had, en hoe zij terstond genezen was. 48 En Hij zeide tot haar: Dochter, wees welgemoed, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede. 49 Als Hij nog sprak, kwam er een van het huis des oversten der synagoge, zeggende tot hem: Uw dochter is gestorven; zijt den Meester niet moeielijk. 50 Maar Jezus, dat horende, antwoordde hem, zeggende: Vrees niet, geloof alleenlijk, en zij zal behouden worden. 51 En als Hij in het huis kwam, liet Hij niemand inkomen, dan Petrus, en Jakobus, en Johannes, en den vader en de moeder des kinds. 52 En zij schreiden allen, en maakten misbaar over hetzelve. En Hij zeide: Schreit niet; zij is niet gestorven; maar zij slaapt. 53 En zij belachten Hem, wetende, dat zij gestorven was. 54 Maar als Hij ze allen uitgedreven had, greep Hij haar hand en riep, zeggende: Kind, sta op! 55 En haar geest keerde weder, en zij is terstond opgestaan; en Hij gebood, dat men haar te eten geven zoude. 56 En haar ouders ontzetten zich; en Hij beval hun, dat zij niemand zouden zeggen hetgeen geschied was.

読むことを本当の学びに変える

登録すると、聖句のブックマーク、ノート作成、AIツールでの学びができます。

この章の後の次のステップを選ぶ 読み続けるか、プランを選ぶか、AIで学習を続けてください。
この章が開くテーマを追う この章が開いたより大きな疑問に関連するトピックハブ。